Welke conclusies trekken de kantonrechter, het Hof en de Hoge Raad over een mogelijk opzegverbod?
Geen opzegverbod?
De werkgeefster, verkrijger na overgang van onderneming, komt na de overname tot de conclusie dat de functie van werkneemster niet in haar organisatie voorkomt en ook niet samen te voegen of in te bedden is in de bestaande organisatiestructuur. Er zijn geen herplaatsingsmogelijkheden. Werkgeefster vraagt ontslag aan wegens bedrijfseconomische redenen. Het UWV geeft geen toestemming. De kantonrechter, het Hof en ook de Hoge Raad concluderen dat er hier geen sprake is van een opzegverbod wegens overgang van onderneming.
Wat speelde er?
Werkneemster was sinds 1994 in dienst bij (de rechtsvoorganger) van werkgeefster, een supermarkt, laatstelijk voor 8 uur per week in de functie van ‘personeelsmedewerker/P&O verantwoordelijke’.
De supermarkt is door de franchisenemer verkocht aan Jumbo Nederland B.V., die vervolgens de supermarkt heeft doorverkocht aan de Maripaan Groep B.V, een franchisenemer van Jumbo. Maripaan heeft 17 supermarkten, die alle zelfstandige bedrijfsvestigingen zijn. Maripaan beschikt over een servicekantoor waar voor alle supermarkten de HR-administratie wordt verricht door twee medewerkers.
Na de overgang van onderneming is in mei 2023 aan de werkneemster meegedeeld dat zij van rechtswege in dienst is bij de werkgeefster in de functie van personeelsmedewerker. De werkgeefster en Maripaan hebben na overname geconcludeerd dat de functie van werkneemster niet bestaat binnen het organogram van een gemiddelde Jumbowinkel en dat de functie niet inpasbaar is en overbodig. Met werkneemster zijn gesprekken gevoerd over de (on)mogelijkheden van een voortzetting van het dienstverband in een andere rol of functie op het servicekantoor.
In juni is een ontslagaanvraag bij het UWV ingediend op basis van bedrijfseconomische redenen. Het UWV heeft de toestemming geweigerd. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 april 2024. Het Hof heeft het hoger beroep verworpen en ook in cassatie verwerpt de Hoge Raad het beroep van werkneemster.
De Hoge Raad
Richtlijn 2001/23/EG heeft als doel te verzekeren dat de werknemers bij verandering van ondernemer hun rechten behouden, door het mogelijk te maken dat zij op dezelfde voorwaarden als zij met de vervreemder waren overeengekomen, in dienst van de nieuwe werkgever blijven. Deze richtlijn beoogt zo veel mogelijk een ongewijzigde voortzetting van de arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking met de verkrijger te verzekeren, om te voorkomen dat de betrokken werknemers uitsluitend ten gevolge van deze overgang in een minder gunstige positie komen te verkeren.
De Hoge Raad oordeelde dat het opzegverbod van ontslag wegens overgang van onderneming niet in de weg staat voor ontslag na overgang op grond van economische, technische of organisatorische redenen die geen intrinsiek verband houden met de overgang van onderneming. Dat betekent niet dat er geen enkel verband mag bestaan met de overgang van onderneming. Aanvullende omstandigheden kunnen maken dat ontslag zich verdraagt met de eis dat sprake is van economische, technische of organisatorische redenen die geen intrinsiek verband houden met de overgang van onderneming. Richtlijn 2001/23/EG beoogt in het geval van overgang van een onderneming immers niet alleen de belangen van de werknemers te beschermen, maar wil een redelijk evenwicht verzekeren tussen hun belangen en die van de verkrijger. Een verkrijger moet aanpassingen en veranderingen kunnen doorvoeren die nodig zijn voor de voortzetting van zijn activiteiten.
Het hof heeft volgens de Hoge Raad onder ogen gezien dat het verband tussen de aangevoerde redenen en de overgang van onderneming onderzocht diende te worden. Het hof heeft aangegeven dat hoe dichter het moment van aanpassing van het personeelsbestand bij het moment van overgang ligt, het van de werkgever mag worden verwacht dat in het bijzonder het ontbreken van een verband met de overgang van onderneming toereikend wordt toegelicht. Dit verband is onderzocht; de functie van ‘Personeelsmedewerker/P&O verantwoordelijke’ kwam niet voor bij de andere supermarkten. Ook paste functie niet binnen de werkwijze van Maripaan.
Het hof is tot de conclusie gekomen dat werkgeefster voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat, de na de overgang van de onderneming genomen beslissing om de door de ‘personeelsmedewerker/p&o verantwoordelijke’, verrichte werkzaamheden anders te organiseren en een andere werkwijze in te voeren ‘daarmee in verband staat’. Het hof heeft hier kennelijk bedoeld dat deze beslissing in verband staat met de omstandigheid dat de functie niet paste binnen de exploitatie die Maripaan voorstond.
Het hof is volgens de Hoge Raad niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting en heeft het zijn oordeel toereikend gemotiveerd.
Conclusie
Met dit arrest is er meer duidelijkheid gekomen over ontslag na overgang van onderneming en de verhouding tussen het ontslagverbod en de economische, technische of organisatorische redenen.
Er is geen sprake van een opzegverbod wegens overgang van onderneming (7:670 lid 8 BW) als de verkrijger in de situatie na de overgang – en mede in verband daarmee - om economische, technische of organisatorische redenen besluit tot aanpassing van het personeelsbestand. Zolang deze geen intrinsiek verband houden met de overgang van onderneming.