Enkel tijdsverloop of stilzitten is voor het aannemen van rechtsverwerking onvoldoende. De lat voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking ligt hoog.
De casus
In de arbeidsovereenkomsten van de werknemers stond een incorporatiebeding voor de cao voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg. Deze werknemers zijn na overgang van onderneming per 1 april 2015 in dienst gekomen bij werkgever. Voorafgaand aan de indiensttreding bij werkgever hebben de werknemers een nieuwe arbeidsovereenkomst getekend zonder een dergelijk beding. De werkgever is niet gebonden aan de cao. De werknemers vorderen een verklaring voor recht dat de werkgever gehouden is de cao-verhogingen uit de cao voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg toe te passen en uit te betalen aan de werknemers die de werkgever op 1 april 2015 heeft overgenomen en op wie door het dynamisch incorporatiebeding de cao van toepassing is. De kantonrechter wees de vordering af, het hof ’s-Hertogenbosch bekrachtigde dit vonnis. De zaak werd voorgelegd aan de Hoge Raad.
Oordeel Hoge Raad
In 2024 oordeelde de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2024:1068) in deze zaak dat de werkgever voldoende doeltreffende mogelijkheden heeft om een cao-incorporatiebeding eenzijdig aan te passen. Dat betekent dat een dynamisch incorporatiebeding op grond van artikel 7:663 BW van rechtswege over gaat bij overgang van onderneming. De werknemers kunnen van dit recht jegens de verkrijger uitsluitend na en niet wegens de overgang afstand doen. Op de website van de WENB is destijds aandacht besteed aan dit arrest. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch en verwijst de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden.
Oordeel hof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2026:3145)
1. Volgens de werkgever had het dynamische incorporatiebeding haar werking al voor de overname verloren. Het hof passeert dit verweer als volgt:
- Het dynamische incorporatiebeding moet worden uitgelegd volgens de maatstaven van de zogeheten Haviltex-formule. Niet alleen kijken naar de letterlijke bewoordingen maar ook naar de betekenis die de partijen redelijkerwijs aan de tekst gaven en wat partijen over en weer van elkaar mochten verwachten. Een dynamisch incorporatiebeding beoogt in het algemeen juist de toekomstige versies van de cao van toepassing te laten zijn. De uitleg van werkgever komt feitelijk neer op een statisch incorporatiebeding.
- De werkgever heeft onvoldoende onderbouwd dat de cao voorafgaand aan de overname niet (meer) van toepassing was. Uit de beschikbare stukken, waaronder de adviesaanvraag en toepassing van cao-verhogingen, volgt juist het tegendeel.
- De werkgever had op de hoogte kunnen zijn van het dynamische incorporatiebeding en de potentiële gebondenheid aan en toepassing van de (toekomstige) cao’s. In de adviesaanvraag stond dat de door haar overgenomen werknemers gebonden waren aan de cao. Dat de werkgever dit onvoldoende heeft onderzocht, komt voor haar rekening.
- De vooraf aangebrachte wijzigingen van de arbeidsovereenkomsten zijn nietig, aldus het hof,
omdat:
- De werkgever op grond van het dynamisch incorporatiebeding als verkrijger het recht van de werknemers op de toepassing van (de toekomstige versies van de) cao moet nakomen. Dit heeft de werkgever niet gedaan, voorafgaand aan de overname heeft zij de werknemers nieuwe arbeidsovereenkomsten laten tekenen zonder dit beding.
- Afstand van rechten kan alleen na overgang plaatsvinden.
- Uit de considerans van de arbeidsovereenkomsten blijkt dat de wijziging direct samenhing met de overgang van onderneming.
- Volgens de werkgever hebben de werknemers het recht om zich te beroepen op het dynamisch incorporatiebeding verwerkt. Pas in 2019 hebben de werknemers een beroep op het beding gedaan. Overleg over de arbeidsvoorwaarden en een nieuw beloningsbeleid had al eerder plaatsvonden. Het hof passeert ook dit verweer:
- Voor een beroep op rechtsverwerking zijn bijzondere omstandigheden vereist als gevolg waarvan a. bij de werkgever het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de werknemers de aanspraak niet (meer) geldend zal maken of b. de werkgever in haar positie onredelijk zou worden benadeeld in geval de werknemers de aanspraken alsnog geldend zou maken.
- Omdat het hier gaat om de dwingendrechtelijke bescherming van werknemers bij overgang van onderneming en deze regeling van openbare orde is, legt de toch al terughoudende toets die gehanteerd moet worden extra gewicht in de schaal.
- Enkel tijdsverloop of stilzitten is voor het aannemen van rechtsverwerking onvoldoende. Dat de werknemers tot 5 juli 2019 de arbeidsvoorwaarden hebben behouden zonder protest duidt op stilzitten en niet op een gedraging op grond waarvan bij de werkgever vertrouwen zou zijn gewekt. De werkgever heeft geen concrete omstandigheden gesteld waaruit volgt dat gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt of dat zij onredelijk is benadeeld.
- De werkgever had zich als overnemende partij op de hoogte moeten stellen van de rechtsposities van de werknemers die zij overnam.
Kortom mede gelet op de hoge lat die geldt, slaagt het beroep op rechtsverwerking niet, aldus het hof.
Conclusie
De werkgever is in deze positie beland omdat zij zich voorafgaand aan de overname onvoldoende heeft verdiept in de arbeidsvoorwaarden van de over te nemen werknemers. Als zij dit wel had gedaan dan had zij kunnen weten dat de cao voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg door incorporatie van toepassing was op de werknemers. De werkgever had zich kunnen verdiepen in de juridische gevolgen hiervan. Als de werkgever had geweten dat deze problematiek speelde, had zij na de overname de geëigende stappen kunnen zetten om tot de door haar beoogde wijzigingen te komen. De werkgever heeft nu voor de overname de werknemers een nieuwe arbeidsovereenkomst laten tekenen. Dit is niet toegestaan.