Werknemer tekent, vóór overgang van onderneming, een nieuwe arbeidsovereenkomst met afbouwregeling persoonlijke toeslag. Houdt dat stand?
Het hof oordeelt dat deze afbouwregeling een wezenlijke verslechtering van arbeidsvoorwaarden is en dit is niet toegestaan (ECLI:NL:GHARL:2025:8563).
Waar gaat het om in deze zaak?
De werknemer was sinds 1984 bij een bedrijf (verder te noemen de vervreemder) in dienst als chauffeur. Bij de vervreemder was geen cao van toepassing. In 2014 ging de werknemer over naar de verkrijger. Bij de verkrijger gold en geldt de cao Beroepsgoederenvervoer, dit is een standaard-cao. Van een standaard-cao mag niet worden afgeweken. Het salaris van de werknemer bij de vervreemder was hoger dan het cao-loon. Voorafgaand aan de indiensttreding bij de verkrijger heeft de werknemer een nieuwe arbeidsovereenkomst getekend, waarin zijn salaris is vastgesteld op het cao-loon. Met een persoonlijke toeslag is het salaris aangevuld tot het salarisniveau dat hij had bij de vervreemder. Deze persoonlijke toeslag wordt afgebouwd met elke cao-verhoging (“initiële- en tredeverhoging”).
De vraag die voorligt is of deze afbouwregeling gezien de overgang van onderneming rechtsgeldig is. De kantonrechter heeft in eerste aanleg geoordeeld dat de afbouwregeling rechtsgeldig is. De werknemer is in hoger beroep gegaan.
Welke rechten zijn volgens het hof mee overgegaan?
Op grond van artikel 7:663 BW zijn de op 1 januari 2014, het moment van de overgang van de onderneming, de bij de vervreemder bestaande rechten van de werknemer overgegaan op de verkrijger. Dit betekent dat de verkrijger het salaris dat de werknemer bij de vervreemder verdiende moet respecteren. Dit is opgelost met een persoonlijke toeslag boven op het cao-loon. De toekenning van de persoonlijke toeslag vloeit voort uit de wettelijke bescherming van werknemers bij een overgang van onderneming en die is van openbare orde. Het feit dat bij de vervreemder een standaard-cao van toepassing is, maakt dat niet anders. De cao bevat geen regeling over een overgang van onderneming, zodat werkgever en werknemer afspraken kunnen maken die daarmee samenhangen.
Het salaris van de werknemer bij de vervreemder werd jaarlijks verhoogd. Hierbij golden geen vaste percentages. Het hof oordeelt dat sprake is van een bestendige gedragslijn die gedurende het gehele dienstverband is gevolgd, zodat sprake is van een (verworven) recht op salarisverhoging. Dat recht is daarmee onderdeel van de arbeidsovereenkomst geworden. Er is dus ten tijde van de overgang een concreet recht op salarisverhoging en niet slechts van verwachtingen. Dit is een op grond van art.7:663 BW beschermd recht waarvan de werknemer uitsluitend na en niet wegens de overgang afstand konden doen.
De afbouwregeling is nietig
Door voorafgaand aan de overgang van de onderneming een nieuwe arbeidsovereenkomst te tekenen, waarin de afbouwregeling is opgenomen, heeft de werknemer afstand gedaan van zijn recht op salarisverhoging voor de duur van de afbouwregeling. Gezien het verschil in salaris tussen het bij de vervreemder geldende loon en het cao-loon, betekent dit dat werknemer gedurende een lange periode geen salarisverhoging zal ontvangen. Dat is een wezenlijke verslechtering van de arbeidsvoorwaarden. De verkrijger had (tenminste) rekening moeten houden met het bij de vervreemder bestaande recht op salarisverhoging door deze op enigerlei wijze mee te nemen in de nieuwe arbeidsvoorwaarden of een voor te stellen afbouwregeling. Zij heeft de arbeidsvoorwaarden van de door haar overgenomen werknemers voorafgaande aan de overname door de afbouwregeling op termijn willen aanpassen aan het cao-loon. Dat is een wijziging van de arbeidsvoorwaarden wegens de overgang van de onderneming en niet toegestaan. De werknemer behoort immers niet in de positie gebracht te worden waarin een verkrijger het behoud van de arbeidsovereenkomst bij de overgang afhankelijk stelt van instemming van de werknemer met verslechtering van zijn arbeidsvoorwaarden. De verkrijger heeft hiermee gehandeld in strijd met artikel 7:663 BW. De daarmee samenhangende rechtshandelingen zijn nietig. Dat geldt ook voor de afbouwregeling. De verkrijger kan zich er daarom niet op beroepen dat de werknemer door ondertekening van de arbeidsovereenkomst heeft ingestemd met wijziging van de arbeidsvoorwaarden.
Conclusie
Anders dan het hof had de kantonrechter beslist dat de overgangsregeling wel rechtsgeldig is. Het verschil in oordeel komt hieruit voort dat verschillend wordt geoordeeld over de jaarlijkse verhogingen van het salaris van de werknemer bij de vervreemder. Daar waar het hof oordeelt dat dit een verworven recht is, kijkt de kantonrechter hier anders naar. Want, volgens de kantonrechter, is het niet uit te sluiten dat de reden voor de overname was dat de personeelskosten van de chauffeurs te hoog werden voor een rendabele bedrijfsvoering. Daarmee is het onduidelijk hoe de salarisontwikkeling van de werknemer zou zijn geweest als er geen overname zou zijn geweest. Het hof gaat niet mee in deze zienswijze.